‘Religie niet in het publieke domein.’

Ter inspiratie !
‘Religie niet in het publieke domein.’ Een opmerkelijk standpunt van de Vrouwen Partij

VP_logo_twitter_background
Gérard van Tillo
Em. prof. dr. at the University of Amsterdam and priest of the diocese Haarlem – Amsterdam

In Nederland werd onlangs De Vrouwen Partij (VP) opgericht. De nieuwe partij wil een rol spelen in de Nederlandse politiek en meedoen aan de Europese verkiezingen . Een opmerkelijk standpunt in het partijprogramma is, dat religie niet thuishoort in het publieke domein. Vanwaar deze opstelling en is dit te realiseren?

De Vrouwen Partij is niet bedoeld als een one issue-partij die alleen wil opkomen voor gelijke rechten van vrouwen. Waar het de oprichters van deze partij om gaat is een humaan en progressief Nederland en Europa. Het gaat daarbij niet alleen om verbetering van de positie van de vrouw, maar van alle groepen en burgers, die op een of ander wijze worden achtergesteld. De oprichters van de partij vinden dat de grootst denkbare minderheid, namelijk die van de vrouwelijke bevolking, in dit opzicht recht van spreken heeft en getalsmatig in de positie is om langs democratische weg structurele veranderingen teweeg te brengen. De Vrouwen Partij wil dit doen door te streven naar gelijke toegankelijkheid van alle burgers tot inkomen, zorg, onderwijs en de rechtsgang. In het partijprogramma worden deze doelstellingen uitgewerkt aan de hand van een zestal thema’s, die als de speerpunten van de partij worden beschouwd. Naast gelijke toegankelijkheid (1) zijn dit invoering van een basisinkomen (2), investeren in een circulaire (recyclings-) economie (3), voeding en gezondheidszorg (4), onderwijs, kennisdeling en kinderopvang (5) en veiligheid en de inrichting van het publieke domein (6). De partij stelt zich op het standpunt, dat religie niet thuishoort in het publieke domein. Redenen die zij voor deze stellingname naar voren brengt zijn, dat een publieke rol van religie aanleiding kan geven tot ongelijkheid en discriminatie. Hiermee wil zij religie niet in een negatief daglicht stellen. Zij van mening, dat religie voor veel mensen een groot goed is en dat er derhalve godsdienstvrijheid moet zijn en ieder die dat wil de religie van zijn/haar keuze in het private domein op een eigen wijze moet kunnen beleven.

Publiek domein
Het standpunt dat religie niet thuishoort in het publieke domein houdt dan ook niet in, dat religie niet in de maatschappij aanwezig mag zijn of niet zichtbaar zou mogen zijn. In de dagelijkse taal heeft het woord ‘domein’ vaak de betekenis van een bepaalde plaats, zoals dat het geval is als het gaat om de openbare ruimte. Maar als gesteld wordt dat religie geen deel uit mag maken van het publieke domein, is het woord overdrachtelijk bedoeld. Het betekent dan, dat religie geen sturende rol mag spelen in de samenleving zoals dat in theocratieën en op religieuze gronden verzuilde maatschappijen het geval is. Wanneer men ervan uitgaat, dat religie een private aangelegenheid is, stelt men zich daarmee ook op het standpunt, dat in het publieke debat over de inrichting van de samenleving geen beroep gedaan kan worden op religieuze argumenten. In het publieke debat gaat het over zaken die het individuele en het groepsbelang overstijgen en voor heel de samenleving of voor constituerende delen daarvan van belang zijn. Het gaat met andere woorden over zaken die alle burgers met elkaar gemeen hebben en niet over privé-opvattingen en aangelegenheden van afzonderlijke personen of groepen. Het publieke domein wordt daarom gekenmerkt door een zekere neutraliteit. Het betekent niet, dat religie geen onderwerp van debat mag zijn in een samenleving. De socioloog José Casanova maakt een onderscheid tussen drie soorten openbaarheid, namelijk de staat, het politieke discours en het maatschappelijk debat (Casanova, J., 1994). Het is voorstelbaar, dat religie geen regulerende rol speelt op het niveau van de staat en geen factor is in het politieke debat, maar wel onderwerp van gesprek in de samenleving. De onderlinge relatie tussen enerzijds levensovertuiging en anderzijds het regeringsbeleid, de politiek en de samenleving wordt verder verhelderd door ook het begrip neutraliteit nader te nuanceren. In de godsdienstsociologie wordt in dit opzicht een onderscheid gemaakt tussen exclusieve, inclusieve en compenserende neutraliteit (Van der Burg 2006). Bij exclusieve neutraliteit wordt religie uit de publieke sfeer verbannen. De verschillende nuanceringen en interpretaties die er ook in dit opzicht zijn, laten zien, dat dit in de praktijk niet zo gemakkelijk te realiseren is. In het geval van inclusieve neutraliteit krijgen de burgers de gelegenheid zoveel mogelijk volgens hun levensovertuiging te handelen en worden alle in een land vertegenwoordigde religies gelijk behandeld. Ook de compenserende neutraliteit geeft religie toegang tot de publieke ruimte, maar de overheid ziet erop dat de levensovertuigingen elkaar niet verdringen en gelijke kansen krijgen.

Tegenstellingen en discriminatie
Hoewel voor ons land het principe geldt van de scheiding van kerk en staat, vestigen de bovenstaande onderscheidingen er de aandacht op, dat het bij dit uitgangspunt niet om een absolute scheiding gaat. Voor de Nederlandse verhoudingen geldt, dat religie een uitdrukkelijke rol speelt in de politiek en op maatschappelijk niveau en, zij het in afgeleide vorm, ook een factor is in staatsaangelegenheden. De staat aan de ene kant en de kerken aan de andere kant proberen voordeel te trekken uit deze situatie, waardoor zeer onrechtvaardige situaties ontstaan. Waar de staat tekort schiet in haar taak om voor alle groeperingen een menswaardig leven mogelijk te maken, verwijst zij gemakkelijk naar de kerken als vangnet voor onopgeloste situaties. Denk bijvoorbeeld aan de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers of de mantelzorg en het vrijwilligerswerk in de zorg. De onderlinge verwevenheid tussen kerk in staat in ons land ligt ook ten grondslag aan de harde discriminatie van bepaalde bevolkingsgroepen en het bevoordelen van andere. Zo is het ontstaan en de geschiedenis van ons land als natie nauw verweven met de strijd tussen het protestantse Noorden en het katholieke Zuiden, een strijd die uiteindelijk door Het Noorden gewonnen werd. Daarna zijn de katholieken lange tijd van staatswege gediscrimineerd. Veel openbare functies waren vanaf het eind van de zeventiende tot het begin van de twintigste eeuw niet voor katholieken toegankelijk. Ook nu nog worden katholieken achtergesteld als het gaat om het bekleden van de hogere functies in (semi)overheids- en maatschappelijke functies. Dat is niet alleen bij katholieken zo. Moslims bijvoorbeeld worden vaak zonder dat daar enige aanleiding toe is geassocieerd met het moslimextremisme en als staatsgevaarlijk aan de kant gehouden. Als het gaat om de hogere opleidingen, het behalen van de examens en hun kansen voor benoemingen in hogere posities worden er voor hen zoveel barricades opgeworpen, dat zij slechts bij uitzondering op die posities terecht komen. Waar religie een rol speelt in het publieke domein en zich met politieke standpunten verbindt, ontstaan tegenstellingen en conflicten die soms tot oorlogen zijn uitgegroeid, zoals we dat gezien hebben in Ierland, op de Balkan, in Israël en in verschillende Arabische landen. In westerse landen met een sterke democratie hoeft de vermenging van godsdienst en politiek niet tot openlijke conflicten te leiden, maar het leidt wel tot onderdrukking van religieuze minderheden of waar religie geen dominante rol meer speelt, tot verlamming van de democratie.

Onwaarachtigheid en onrechtvaardigheid
In landen die religieus pluriform zijn is de tijd voorbij dat religie de absolute hoofdrol speelt. Maar via samenwerking met andere partijen kunnen confessionele partijen nog steeds hun eigen religieuze uitgangspunten aan anderen opleggen en voordelen bepleiten die ten koste gaan van anders-religieuze en niet-religieuze groepen. In ons land gebeurt dat op grote schaal, omdat hier de oude verzuilingsstructuur voor belangrijke maatschappelijke geledingen zoals opvoeding, onderwijs, zorg en media nog steeds overeind is gebleven. Het volstaat niet om te zeggen, dat de burgers op deze wijze vrij zijn om te kiezen van welke voorzieningen zij gebruik willen maken, omdat die keuze er in veel gevallen niet is. De grotere confessies kunnen in bepaalde delen van het land een bijna absoluut monopolie hebben op bepaalde terreinen. De kleinere confessionele groepen hebben nauwelijks politieke macht en moeten zich dan schikken naar andere geloofsgroepen. Deze structurele ongelijkheid is niet het enige probleem van confessionele politiek en de genoemde verzuilde maatschappelijke instellingen. Want inmiddels gaapt er een grote kloof tussen de confessionele instellingen en de kerken die zij vertegenwoordigen. Degenen die de confessionele instellingen overeind houden, bestuurders, managers en medewerkers, hebben meestal het geloof achter zich gelaten en zijn niet meer bij een kerk aangesloten, ook niet bij de kerk die zij als representanten van confessionele instellingen vertegenwoordigen. De meesten van hen behoren wel tot de groeperingen die uit de betreffende kerken zijn voortgekomen. Wat er met name onder intellectuelen van die kerken is overgebleven, zijn belangengroepen van ex-leden die op grond van hun vroegere lidmaatschap privileges claimen als het gaat om aanstellingen en benoemingen in confessionele instellingen. Ook degenen die van de diensten van confessionele organisaties gebruik maken zijn voor een groot deel niet kerkelijk of religieus. Zo ontstaat er een schimmenspel, waarbij de leiders van de confessionele organisaties voorwenden een religie te vertegenwoordigen tegenover sollicitanten en gebruikers die hetzelfde doen, om op deze wijze te kunnen profiteren van subsidies die op confessionele gronden gegeven wordt. Mede omdat de vroegere normen en waarden in zulke organisaties niet meer gelden, is er sprake van harde discriminatie van mensen die niet tot de eigen kring behoren. Die discriminatie bestaat erin, dat zij niet voor aanstellingen binnen de instelling in aanmerking komen, behalve in uitzonderingsgevallen als er geen andere geschikte kandidaten zijn of als zondebok om de klappen op te vangen en als wisselgeld voor onvoorziene omstandigheden. Dit alles wil niet zeggen, dat geloofsgroepen op bepaalde terreinen niet hun eigen onderwijs, zorg en media zouden mogen verzorgen, maar zij moeten dat in de private sfeer zelf regelen en daarvoor geen beroep meer doen op de algemene middelen. Het wil ook niet zeggen, dat de confessionele politieke partijen van de ene dag op de andere zouden moeten verdwijnen. Zij zouden wel gevraagd moeten worden bij het bedrijven van politiek de vertaalslag te maken naar de profane maatschappelijke aangelegenheden die zij voorstaan, en die niet na te streven met religieuze argumenten. Er zou met andere woorden een ontvlechting moeten plaatsvinden van religie en politiek, waarbij religie alleen functioneert binnen het private domein. In termen van de bovengenoemde onderscheidingen betekent dit, dat het publieke domein ook voor wat religie betreft gekenmerkt wordt door exclusieve neutraliteit en religies niet meer deelnemen aan het statelijk en politiek discours. Kerken, religies en sekten kunnen dan nog wel deelnemen aan het maatschappelijk debat en invloed uitoefenen op de maatschappij, maar alleen via het gedrag en de opvattingen van de gelovigen in de private sfeer.

Vrijheid van godsdienst
Daar moet dan wel tegenover staan, dat er een ruime interpretatie komt van de vrijheid van godsdienst. Ook moet er een grote tolerantie onder de bevolking heersen ten aanzien van mensen die in de private sfeer hun religie op hun wijze beleven. Waar religieuze belangen in botsing komen met elkaar of met het algemeen belang moeten statelijke organen zoals de gemeente, het rijk, de justitie in goed overleg met de betreffende kerken of groepen beslissen. Onder deze voorwaarden lijkt de verwijzing van godsdienst en levensbeschouwing naar het private domein de beste oplossing voor de religieproblematiek in landen die gekenmerkt worden door religieuze pluriformiteit.
(www.Vrouwen Partij.nl; info@Vrouwen Partij.nl)

Noten
Burg, W. van der, Over religie, moraal en politiek. Een vrijzinnig alternatief, Uitg. Ten Have, Kampen 2005, in: W. van de Dunk en R. Plum, ‘Begripsverkenning’ in: W.B.H.J. van de Dunk (red.). Geloven in het publieke domein (WRR, AUP 2006).
Casanova, J., Public religions in the modern world, The University of Chicago Press 1994, in: idem.

Schermafbeelding 2014-03-11 om 17.45.34

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s